Dat ik juist op dit moment besloten heb Dick Swaabs “Wij zijn ons brein”aan te schaffen in plaats van te wachten tot ik aan de beurt ben bij de bibliotheek, verbaast me opeens niets.
Meteen al in de eerste veertig bladzijden krijg ik zoveel antwoorden, suggesties of verklaringen op vragen die ik vooral deze keer in Gambia had, dat daarmee de link wensen–kopen meteen verklaard is.
Wat was er deze keer zo anders dan andere keren dat ik in Gambia was? Waarom had ik nog meer oog dan voorheen voor gedrag van de mensen – kinderen vooral? Waarom zocht ik naar antwoorden op vragen als “Waarom ?“ Me verbazend over het gedrag van de moeder ten aanzien van haar kinderen. Struikelblok bij het zoeken naar antwoorden op de vele “rare”situaties, was als eerste mijn eigen westerse cultuur en manier van denken, voelen. Ik moest dan ook erg mijn best doen om me niet superieur te voelen (te tonen heb ik het al helemaal niet over..), en te proberen de Afrikaanse cultuur op zijn eigen waarde te schatten. Maar wat is die cultuur? Wat weet ik er van? Alleen maar dat wat ik ervan zie en hoor en ruik.. Dus hield ik mijn ogen en oren wijd open en probeerde te kijken zonder te oordelen. Vaak vroeg ik ook naar het waarom. Maar dat had weinig nut. De moeders leken zelf niet te weten waarom ze het één deden en het ander juist lieten.
Het omgaan met een lastig kind bijvoorbeeld. Dat wil zeggen, zij noemen het lastig. “The child is very stobbe!” Ik ontdek al gauw dat het honger heeft of doodmoe is. De jongste zoon van Mariatou, mijn “kleinkind” Malang, werd er regelmatig van beticht een stout jongetje te zijn. Maar met zijn anderhalf jaar was hij van ’s ochtends zeven uur tot ’s avonds vaak na tienen in de running. Buiten op het erf of zelfs op het pad tot ver buiten de compound. Zonder een slaapje te doen. Ik heb dat slaapje doen ingevoerd en hij was er oh zo blij mee. Tegen elven ’s ochtends begon hij aan de buggie te trekken die ik speciaal voor hem mee gebracht had de vorige keer en keek me dan veel betekenend aan. De dagen ervoor had ik hem erin gelegd als ik vermoedde dat hij moe was. En al “rijen rijen rijen in een wagentje”zingend was hij dan binnen een minuut naar dromenland vertrokken. Zijn beentjes slap en wijd uit het wagentje stekend lag hij totaal ontspannen te snurken. ’s Middags na de “kontong”( lunch= rijst met een beetje saus en een gratenvisje) herhaalde zich het tafereel. Na beide slaapjes was hij stukken minder “stobbe”en zelfs lief aan het spelen met andere kindjes op het zandpad. Toen ik op de compound van Happy een zelfde “stobbe”kindje zag van twee jaar, leek me dat er hetzelfde aan de hand was. Het kind jengelde en jankte en de moeder sloeg er geen acht op. Ze had de pasgeboren baby op schoot en onderhield zich met de vrouwen om zich heen en met ons. Maar het kind leek steeds desperater te worden en overstemde met haar hysterische gegil de conversatie. Het kreeg een klets op de billen en werd door de moeder ruw weg geduwd. Ik had het allemaal aangezien en vond dat ik het meisje best een beetje kon helpen. Ik vroeg de moeder het kindje op schoot te nemen. Verbaasd keek ze me aan, met daarbij een enorme grote lach-mond. Het had dan ook niets met lachen te maken, eerder met verlegenheid of onbegrip. Ik zei: “Doe maar. Misschien wordt ze dan wel stil”. Ze legde haar baby in de bananendoos met kleertjes dat als wiegje diende en hees het meisje op haar schoot. Ze nestelde zich direct tegen moeders borst aan, sloot haar oogjes en leek direct in slaap te zijn gevallen. Het tafereeltje beziend vraag ik de moeder of ze slaapt. “No, she is not sleeping”zegt ze. En ze herhaalt met haar grote lachende mond dat ze echt niet slaapt. Ze geeft het kind tikken tegen de wang maar het meisje geeft geen kik. Volgens mij slaapt ze. Maar het lijkt wel of het niet mag slapen van de moeder. Zou het not-done zijn in Afrika om een kind overdag te slapen te leggen? De moeder bezweert me min of meer dat het kind niet slaapt. Nog vele malen herhaalt ze met een stem die nog het meest aan een bezwering doet denken: “She is not sleeping. She is not sleeping. She is not sleeping.” Ik laat het er niet helemaal bij zitten en vraag: “Is it not allowed to sleep in the daytime?” Maar de moeder komt niet verder dan het bijna bezwerende “She is not sleeping“.
De situatie overdenkend kan ik natuurlijk tot allerlei conclusies komen. Maar dat snijdt geen hout. Je weet het niet. Wat je wel weet is dat het kind – en indirect ook de moeder – gebaat is bij een slaapje. En dus ga ik op Mariatou’s compound met Malang mijn gang en is hij na teen paar dagen gewend aan twee maal per dag een slaapje doen.
Waarom dit relaas. Omdat het één van de vele voorbeelden is hoe je kunt worstelen met het wel of niet geven van een ogenschijnlijke – westerse – oplossing in een Afrikaanse situatie.
Terug naar Swaabs dikke pil waarin ik zojuist begonnen ben. Ik lees er over hoe oxytocine op hersenen en gedrag inwerkt. Oxytocine wordt gezien als “de boodschapper van affectie, gulheid, rust, vertrouwen en gebondenheid”(pag. 41). Allemaal dingen waar het het kind in Afrika mijns inziens aan ontbreekt. Het wordt op de rug gedragen na de geboorte en nestelt zich zo tegen moeder aan. Moeder heeft ondertussen haar handen vrij om te doen wat ze moet doen. En dat is veel. Wassen, koken, water halen, boodschappen doen, nog meer wassen en water halen en met de buurvrouwen kletsen. Als het kind huilt schudt ze haar lijf heen en weer en uiteindelijk valt het babietje dan wel in slaap. Er komt geen knuffel aan te pas. Hooguit de borst. Als het kind kan lopen wordt het neergezet en van een ouder zusje wordt verwacht dat zij een oogje in het zeil houdt. Moeder verdwijnt vervolgens naar de hoofdstad Banjul om een ziekenhuis te bezoeken of heeft een andere reden om de hele dag afwezig te zijn. Het kind bedient zichzelf van haar borst als ze er is en moet het zonder doen als ze weg is. Het zusje – zelf nog een kind want vaak niet ouder dan twaalf jaar – moet zorgen dat hij niet te ver wegloopt en hem verzorgen als hij zich bevuild heeft. Soms geven ze hem een schone – lokale – luier, maar vaker wordt hij slechts ontdaan van zijn vieze kleertjes en speelt hij naakt verder. Affectie: niet dus. Een klets om de oren of aan één arm mee sleurend naar de teil met water op het achtererf. That is all.
Weer terug naar Swaab. Heb ik – de kinderen knuffelend – onbewust geweten dat bij een warme sociale interactie niet alleen de oxytocinespiegel in het bloed stijgt, maar dat er ook meer van die stof afgegeven wordt in de hersenen? Waardoor het kind beter bestand is tegen stress en het later beter met relaties om kan gaan? Misschien. Feit is dat ik mijn intuitie heb gevolgd. Hopend dat ik aan het begin van Malangs leven een basis gelegd heb die hij normaal gesproken moet ontberen. Ik hoopte dat hij- bijvoorbeeld spelend met de vormendoos – ruimtelijk inzicht zou krijgen. En dat kreeg hij. Na alle blokken de eerste keren slechts door de kamer te kunnen gooien, kon hij na twee weken samen met de doos bezig te zijn geweest, rustig ermee “spelen” en de juiste vormpjes met een vragend gezichtje boven de betreffende gaatjes houden. Hij wist me duidelijk te maken wanneer hij wilde rusten en werd van een “stobbe boy”een schatje dat rustig op de compound rondstruint. Maar zijn moeder denkt er anders over. Ik verwen hem teveel. “He can do everything, so you have to pay when he steels food on the market!”waarschuwt ze me lachend. “He is just curious!He wants to know everything!” lach ik terug. Ik kan lezen en schrijven met zijn moeder, “my black twinsister” bij wie ik in huis woon. En ze weet als geen ander hoe heerlijk het is om geknuffeld te worden door mij. Ik zal haar niet lastig vallen met oxycetine, maar zal wel altijd stimuleren dat ze haar kinderen positieve aandacht en liefde geeft.
Ik ben een missie-zuster. Altijd willen worden vroeger..